Skip to content

Vlammenstad

29 augustus 2010

Tweeluik

‘Yes! War!’ en ‘Ik ben te klein, ik ben bang.’ Twee citaten uit de theaterproductie ‘Vlammenstad’, die ik vrijdagavond tijdens het Zeeland Nazomerfestival heb gezien. Als locatie voor dit tweeluik is gekozen voor de Middelburgse Abdij. Heel toepasselijk, want de torenwachter van de Abdijtoren Lange Jan is de verbindende schakel tussen de twee monologen. In ‘Vlammenstad‘ kijken twee mannen terug op het bombardement op Middelburg, 17 mei 1940.  Ze doen dat beide vanuit een heel ander perspectief, maar tegelijkertijd zijn hun verhalen sterk met elkaar verweven. Regisseuse Judith de Rijke schreef het stuk op basis van ooggetuigenverhalen en historische feiten. Ze deed dat in opdracht van Theaterproductiehuis Zeelandia, dat in mei, tijdens de herdenkingsweek van ‘Het Vergeten Bombardement‘ op Middelburg, een try out van de voorstelling organiseerde.

Muis

Bram Kwekkeboom speelt Muis, een man van 85 jaar die terugkijkt op vreselijke vrijdag, 17 mei, toen een groot deel van de Middelburgse binnenstad in vlammen opging. De eenakter speelt zich af in de crypte van de Abdij met daarin stellages waarin versteende beelden liggen en hangen. Ze staan symbool voor de 22 dodelijke slachtoffers die tijdens het bombardement zijn gevallen. In een radiointerview met de NOS vertelt De Rijke dat de crypte kan worden gezien als het hoofd van Muis, zijn denkwereld. Muis vraagt zich in de jaren na de oorlog af hij het verloop van de gebeurtenissen had kunnen beïnvloeden, zodat er minder doden zouden zijn gevallen, hoewel, zegt hij in het stuk: ‘Natuurlijk, waar gevochten wordt, kun je de dood verwachten. Maar statistisch gezien, op de keper beschouwd, hadden wij met 22 niets te klagen.’ Waarom zíj wel en ik, of een ander, niet? Als… als…als… Dat is waar Muis mee worstelt, al zijn hele leven lang.

Muis woont in de Lange Noordstraat, waar zijn ouders een garage runnen. Hij is een van de jongste burgerleden van de Luchtbeschermingsdienst, waarvan het hoofdkwartier in het politiebureau in de Lange Giststraat is gehuisvest. Muis heeft in de week na 10 mei grote delen van de collectie van het Rijksarchief in Zeeland helpen verhuizen naar een veiliger plaats en meldt zich op vrijdag 17 mei opnieuw in de Lange Giststraat. Daar probeert men verbinding te krijgen met de torenwachter van de Lange Jan, maar dat lukt niet. Muis krijgt de opdracht om aan de torenwachter te gaan vragen of hij al wat kan zien. Muis wil niet, hij vindt zichzelf te klein, hij is bang, maar gaat toch. Hij klimt de Lange Jan op en roept: ‘Torenwachter!!!!!’ Maar de torenwachter reageert niet op zijn geroep. Dan hoort hij vliegtuigen aankomen en hij vlucht. Er valt een bom op de Lange Jan. Hij ziet alles vallen: de toren met de klokken, die even daarvoor nog speelden, én de torenwachter: ‘Gevallen, als een vogel uit de lucht.’

Muis is bang en dapper tegelijk. Over zijn dapperheid praat Muis niet. Dat horen we via Moon, de branie-achtige overbuurjongen, die hem altijd pest. Muis deelt brood uit aan de verslagen soldaten van de Peeldivisie. Muis legt het zelfs aan met de dienstmaagd van de overburen, waar Moon zelf een oogje op heeft, maar geen actie durft te ondernemen.

Muis probeert de gebeurtenissen op 17 mei te vatten in lijstjes met getallen van verwoeste panden, daklozen en dodelijke slachtoffers. Hij praat tegen de doden, legt ze een voor een voor zich neer en ziet ze weer naar de hemel gaan. Mannen, vrouwen, kinderen. Een getroffen moeder en een kind… Waarom zij wel en hij niet? Als ze nou niet daar hadden gelopen waren ze er nog geweest. Of misschien ook niet. Ben ik een lafaard? Was ik in staat geweest om ze te redden? Als… als… als… Hij kan het nog steeds niet begrijpen en zijn hoop is nog altijd gericht op de torenwachter. ‘Hij komt zo, de torenwachter, en dan zullen we het begrijpen… Torenwachter?!’

Moon

‘We want war’!, roept Moon, als hij hoort dat er echt oorlog is. Moon speelt met zijn vriendjes oorlogje met tinnen soldaatjes en buiten op straat. Hij woont met zijn ouders, boers en zusjes in de Lange Noordstraat boven de Amsterdamsche Bank, waarvan zijn vader directeur is. Tegenover hem woont Muis, ‘… de lafaard, die zal vast wel gevlucht zijn.’ Moon ziet de oorlog als een spannend avontuur en bedenkt de meest heldhaftige daden die hij en ‘onze jongens’ zullen verrichten. Ze zullen ‘die Moffen’ in de pan hakken! Hoe groot is zijn teleurstelling als Nederlandse soldaten totaal gedesillusioneerd Middelburg binnensjokken. Nee, dan de Fransen, die gaan vast en zeker terugvechten! Om zich dan ineens af te vragen: ‘Zou je aan oorlog dood kunnen gaan?’

Om het verhaal van Moon te vertellen gaat acteur Adri Overbeeke terug naar zijn jeugd. Hij vertelt zijn verhaal vanuit het perspectief van een vijftienjarige. Op het decor in de Wandelkerk, onder de voet van de Lange Jan, transformeert hij van een volwassene in de jonge Moon. Moon vertelt zijn verhaal chronologisch, van dag tot dag.  10 mei… 11 mei… Hij beschrijft wat hij hoort aan geruchten en berichten en wat hij ziet op straat. Hij vertelt over zijn vriendjes, zijn broer Piet die aan bronchitis lijdt en zielig is ‘en doet’, als het zo uitkomt, zijn ouders, en over Muis, de zoon van de garagehouder die tegenover hem woont. Hij veracht Muis en verzint hoe hij hem een lesje kan leren omdat Muis het heeft aangelegd met hun dienstmaagd, ‘want niemand zoent met onze Aad!’

Moon heeft zijn hoop gevestigd op de torenwachter. Hij bidt: ‘Mijn krachtige, machtige torenwachter… van ons trots, de Lange Jan… kunt u er voor zorgen, wachter, dat alle Duitse vliegtuigen, vannacht nog tegen de vlakte gaan?’ Maar de Lange Jan stort in elkaar, Middelburg brandt en Zeeland capituleert. Dat kan Moon maar niet begrijpen. Capituleren, dat dóe je toch niet?! Hij vlucht met zijn ouders de stad uit naar Domburg. Het gezin gaat met de auto, hij mag als enige op de fiets. Al snel keert het gezin terug en ziet de enorme ravage. Op de plaats waar de auto stond is een enorme krater geslagen…

Moon heeft een zeer scherp oog voor allerlei details en beschrijft tijdens zijn lawaaierige verhaal heel nauwkeurig wat er gebeurt en de – soms bizarre – reacties van mensen, inclusief die van hemzelf. ‘Alles is weg, hoe moet dan nu met het kindje in moeders buik en… en… hoe moet dat nu met mij?’ Inwoners van de getroffen stad zijn bezorgd om hun spaarcentjes en komen vragen of de bankkluis nog intact is. Ja hoor, alle bezittingen zijn weg, maar de kluis – ‘met daarin ook de mand met vuile was’ – is er nog. Gelukkig maar…

Na het bombardement is er een sprong in de tijd naar 1947. Moon vecht in Nederlands-Indië en zit bij een van zijn stervende makkers. ‘Waar gevochten wordt, kun je de dood verwachten.’ Hij kijkt terug op de dagen rond 17 mei 1940 en dat alles niet is wat het toen leek en hoe hij de dingen zag. Hij constateert dat hij heel snel volwassen is geworden door de oorlog.

Twee in een

De twee monologen zijn heel verschillend maar vullen elkaar precies aan tot één verhaal. De torenwachter en de telefoon, die in beide eenakters telkens overgaat, zijn de verbindende schakels. De Lange Jan is voor beide jongens een baken in zee en de torenwachter degene die de stad kan redden van de ondergang. Maar de Lange Jan stort neer en de torenwachter komt om het leven. Soms raken de verhalen elkaar in gezamenlijke belevenissen. Beide monologen eindigen met een lang rijm dat besluit met: ‘ie-wie-waai is eerlijk weg, heb je mazzel, heb je pech, ben je laf of een held, word je gespaard of juist geveld.’ De oorlog heeft op beide levens een enorme impact gehad. ‘Ook wie niet sterft, wordt geraakt.’

De acteurs zetten de twee karakters heel overtuigend neer. Bij beiden duurde het even voordat ik ze voor mijn gevoel zag versmelten met hun rol, maar toen dat moment er eenmaal was maakten de monologen op mij bijzonder veel indruk. Ik werd gewoon in de verhalen gezogen. Ik ken de ooggetuigenverhalen en de historische gebeurtenissen en kon fictie en feiten goed van elkaar onderscheiden. Zou ik het stuk anders beleefd hebben als ik dat niet had geweten? Ik weet het niet. Ik weet dat de twee ooggetuigen, op wier verhalen de twee monologen zijn gebaseerd, geraakt waren door het stuk, toen het op 18 mei werd gespeeld. De eenakters worden ondersteund door klank en licht, hetgeen een extra dimensie aan het spel geeft, evenals de prachtige decors en uiteraard de locaties – de crypte en de Wandelkerk – waar de stukken zich afspelen. Het was heel bijzonder om mee te maken!

Acteurs over hun rol, Vlammenstad in kunst, ooggetuigenverhalen te boek gesteld

Hier is een interview te vinden met de acteurs Bram Kwekkeboom en Adri Overbeeke en hier nog een videoopname van het spel. Het Centrum Beeldende Kunst organiseert het jaarlijke Zomeratelier rondom ‘Vlammenstad’. De ooggetuigenverhalen die in ‘Vlammenstad’ verwerkt zijn, zijn opgenomen in het boek ‘Middelburg 17 mei 1940 : Het Vergeten Bombardement’ (Middelburg 2010).

No comments yet

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: